‘We weten waar het misgaat. Nu moeten we leren van wat wél werkt’
Waarom overleven sommige vrouwen ernstig partnergeweld, terwijl anderen slachtoffer worden van femicide? Die vraag staat centraal in het vervolgonderzoek hoogleraar Marieke Liem naar beschermende factoren. Mede dankzij steun van donateurs werken onderzoekers daarvoor samen met praktijkpartners, waaronder Filomena. Directeur Tanya Hoogwerf: ‘We weten inmiddels waar het misgaat. Nu moeten we onderzoeken wat het verschil maakt als het wél goed afloopt.’
De Femicide Monitor van de Universiteit Leiden bracht de afgelopen jaren onder meer in kaart welke risicofactoren voorafgaan aan femicide. Het vervolgonderzoek richt zich op de andere kant van het verhaal: welke factoren helpen juist om dodelijk partnergeweld te voorkomen?
Filomena is een van de praktijkpartners die daaraan meewerkt. De organisatie stelt geanonimiseerde dossiers beschikbaar en deelt praktijkervaring uit de begeleiding van slachtoffers van ernstig huiselijk geweld. Ook vrouwen die ernstig geweld hebben overleefd delen hun ervaringen met de onderzoekers. Juist hun verhalen kunnen inzicht geven in interventies die escalatie hebben voorkomen.
Filomena helpt mensen die te maken hebben met extreme situaties van (ex-) partnergeweld of kindermishandeling.
Een samenwerking vanuit een gedeelde ambitie
De samenwerking begon enkele jaren geleden, nadat Tanya Hoogwerf in de media las over de Femicide Monitor van hoogleraar Marieke Liem. Ze nodigde Liem uit bij Filomena om kennis te maken met de aanpak van de organisatie en de dagelijkse praktijk van hoogrisicozaken.
Hoogwerf zag al snel de raakvlakken met het onderzoek. ‘Onze casuïstiek bestaat uit zaken waarbij het risico op femicide groot is. Ik dacht dat het nuttig zou zijn om te laten zien hoe wij werken en wat we in de praktijk tegenkomen.’ Dat eerste gesprek groeide uit tot een intensieve samenwerking, waarin onderzoekers en professionals kennis uitwisselen over risicofactoren én beschermende factoren.
Hoe dat er in de praktijk uitziet, illustreert een zaak die Hoogwerf beschrijft. Een vrouw durfde uit angst geen aangifte te doen, terwijl de signalen wezen op een steeds groter risico. Door informatie uit verschillende organisaties te combineren, kon de betreffende man op een ander strafbaar feit worden aangehouden. Die interventie gaf de hulpverlening de tijd om de vrouw veilig onder te brengen. Voor Hoogwerf laat zo'n zaak zien hoe samenwerking en vroegtijdig handelen het verschil kunnen maken tussen escalatie en veiligheid.
Niet het slachtoffer, maar de hulpverlening moet bewegen
Volgens Hoogwerf schiet de huidige hulpverlening vaak tekort doordat slachtoffers van organisatie naar organisatie worden doorverwezen. Ze vergelijkt de werkwijze met een estafette: ‘Slachtoffers gaan van locatie naar locatie, van organisatie naar organisatie en van professional naar professional.’ Filomena draait dat om. ‘Wij willen juist een omgeving creëren waarin iemand binnenkomt en vervolgens alle hulp om diegene heen wordt georganiseerd.’
Bij Filomena krijgt ieder slachtoffer een vaste casemanager die de regie houdt. Professionals uit verschillende organisaties werken samen rondom het slachtoffer en blijven betrokken totdat duurzame veiligheid is bereikt. Die integrale aanpak kan volgens Hoogwerf waardevolle inzichten opleveren voor het onderzoek naar beschermende factoren.
Waarom dit onderzoek nodig is
Volgens Hoogwerf is de aanpak van huiselijk geweld nog te versnipperd. Bij een gemiddeld gezin zijn veel organisaties betrokken. Daardoor gaat cruciale informatie verloren en worden patronen van escalerend geweld niet altijd herkend. Ook signalen van slachtoffers worden volgens haar nog te vaak onderschat. Ze ziet regelmatig vrouwen die ‘jarenlang door de keten hebben gelopen en steeds zijn teruggestuurd naar een gevaarlijke situatie, omdat de signalen die zij afgaven niet serieus werden genomen.’
Dat betere samenwerking nodig is, klinkt misschien vanzelfsprekend, erkent Hoogwerf. ‘Het klinkt soms als open deuren. Maar als het zo evident was, hadden we het allang gedaan.’ Juist daarom is wetenschappelijk onderzoek volgens haar onmisbaar: niet alleen om bloot te leggen waar het misgaat, maar ook om zichtbaar te maken welke interventies daadwerkelijk bijdragen aan veiligheid en hoe beleid en hulpverlening daarop kunnen worden ingericht.
Gedreven door de praktijk
Voor Hoogwerf is de samenwerking met de Universiteit Leiden meer dan een professionele samenwerking. Haar betrokkenheid bij de aanpak van huiselijk geweld heeft ook een persoonlijke achtergrond. Een goede vriendin werd slachtoffer van ex-partnerstalking en belandde na een wurgpoging in het ziekenhuis. Later maakte zij als gemeenteraadslid in Rotterdam van dichtbij mee hoe de moord op de Rotterdamse scholiere Humeyra de stad schokte. 'Toen dacht ik: dit kan niet, dit mag niet meer gebeuren.' Sindsdien zet zij zich in om de hulpverlening aan slachtoffers te verbeteren. Juist daarom hoopt zij dat het onderzoek niet alleen nieuwe kennis oplevert, maar ook leidt tot een andere manier van samenwerken.
Dat is ook haar hoop voor het vervolgonderzoek binnen de Femicide Monitor. ‘We weten inmiddels waar het misgaat. Laten we nu leren van de gevallen waarin het wél goed is gegaan en het systeem zo inrichten dat we die aanpak gaan faciliteren.’
Met nieuw onderzoek binnen de Femicide Monitor willen hoogleraar Marieke Liem en haar team beter begrijpen welke factoren bijdragen aan het ontkomen aan levensbedreigend partnergeweld. Die kennis is essentieel om femicide in de toekomst te voorkomen. Lees meer over het onderzoek op SteunLeiden.nl of draagt direct bij via dit formulier.
Headerbeeld: de reizende tentoonstelling FEMICIDE brengt de verhalen van dertien slachtoffers die door hun (ex-)partner zijn omgebracht, verteld door de nabestaanden (foto: André Muller, iStock).
